maandag 11 september 2017

De Kapucijner Crypte, Joseph Roth, 1938 (2014)

Mijn uitgave, van 2014, in een vertaling van Wilfred Oranje. 
Ik ben en blijf een groot fan van de schrijver Joseph Roth. Ik vind zijn zinnen en beelden geweldig, ze tillen me als het ware óp, ze verheugen me met hun schoonheid. En dat niet alleen, ik word meegevoerd op de stroom van zijn emoties, de melancholie, het verdriet, het afscheid van een voorbije tijd.
Oude uitgave; de eerste druk verscheen in 1938. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog werd het boek 'begraven', pas na de oorlog kwam het weer in de handel.
Hoofdpersoon in dit boek is opnieuw een Trotta, net als in Radetzkymars. Hij heet Franz Joseph, en zijn grootvader was een broer van de 'held van Solferino', een eenvoudig luitenant die in die plaats het leven van keizer Franz Joseph gered had. Hun geslacht stamt uit Sipolje, dat sinds de Eerste Wereldoorlog niet meer bestaat.
Franz Joseph verblijft met zijn aristocratische vriendjes vooral in koffiehuizen en café's in Wenen altijd 'onecht', ironisch of anderszins. Ze geven bijvoorbeeld nooit toe dat ze van iemand, een vrouw of hun moeder, houden kunnen. Franz Josef doet daar aan mee.
Zijn neef Joseph Branco - boer en kastanjepoffer - uit Sipolje bezoekt hem, en na hem komt ook de Jood Manes Reisiger. Reisiger heeft een muzikaal-begaafde zoon, Ephraïm. De vriend van Franz Joseph, Chojnicki, neemt de opleiding aan het conservatorium van de jongen voor zijn rekening. Ongezien vertrouwt Chojnicki erop dat een Gallicische jood 'goed' moet zijn.
Als de Eerste Wereldoorlog op uitbreken staat, trouwt Franz Joseph hals over kop met zijn uit de verte beminde Elisabeth Kovacs, hoewel zijn moeder helemaal niets in haar ziet. Het huwelijk wordt niet geconsumeerd. 'De dood kruiste zijn knokige handen reeds boven de kelken waar wij, uitgelaten en kinderlijk, uit dronken.' Deze zin herhaalt Roth een paar keer, kenbaar makend dat de dreiging van de vernietiging al boven Europa hangt, en dat ieder - in elk geval van de groep vrienden - liever doet of hij het niet ziet.
Niet met zijn aristocratische vriendjes, maar met Branco en Reisiger trekt Trotta de oorlog in. Ze worden krijgsgevangen gemaakt en belanden in Siberië, bij Baranowitsch. Daar krijgen Branco en Reisiger ten slotte ruzie en valt het drietal uit elkaar.
Vier jaar later is Trotta terug in Wenen. Hij woont weer bij zijn moeder. Zijn Elisabeth heeft een zakelijke relatie met Jolanth Szatmany, die professor in kunsthandwerk is. Later blijken de twee vrouwen ook elkaars geliefde te zijn. Toch keert Elisabeth bij hem terug, Von Trotta en zij halen de liefde van de huwelijksnacht nu als het ware in. Ze krijgen een kind, Franz Joseph Eugen, 'Geni'. Moeder Trotta neemt intussen steeds meer hypotheek op het huis om in de zaak 'Jolan-atelier' te steken. Ook moet ze kamers verhuren om aan de kost te komen. De moeder sterft. Wenen verandert steeds meer, Elisabeth verlaat Franz Joseph, zijn zoon doet hij naar Parijs voor een opleiding. Wenen verandert, er heerst rebellie. Hij wil naar de Kapucijner Crypte, om het graf van Keizer Franz Joseph te bezoeken, maar die is gesloten. 'Waar moet ik nu heen, een Trotta?' luidt de laatste zin. 

Het boek geldt als een vervolg op  Radetzymars, en is de laatste roman van Joseph Roth. Ik vond dit boek wel iets minder dan de Radetzkymars, maar nog steeds goed. 
Het boek is in 1971 verfilmd,
 
Dvd-hoes van de film Trotta, naar dit boek. 
Het thema van het boek is opnieuw: heimwee naar de verloren tijd van de Oostenrijks-Hongaarse Habsburg-dynastie. 
Niet, dat die alleen bejubeld wordt. Via de stem van één van de vrienden van Franz Joseph, Chojnicki, lezen we: 'De hongaren, beste Kovacs, onderdrukken niet minder dan de volgende volken: Slowaken, Roemenen, Kroaten, Serven, Roethenen, Bosniërs, Zwaben uit de Bacska en Saksen in Zevenburgen.'
Kaart van 1911, met de volkeren van de Dubbelmonarchie. 
Keizer Franz Joseph I, die al die volken wist te verenigen. Het rijk kwam ten val na de Tweede Wereldoorlog. Franz Joseph stierf in 1916.
De Kapucijnercrypte is een grafkelder onder de Kapucijnerkerk in Wenen. Het is een Habsburgse traditie dat daar, aan de Neue Markt, de Habsburgers begraven werden. Tot de bouw ervan werd in 1618 opdracht gegeven door keizerin Anna. Zij en haar echtgenoot keizer Matthias werden als eersten in de Kapuzinergruft bijgezet. Als laatste werd in 2011 Otto von Habsburg, zoon van de laatste keizer Karel I van Oostenrijk, bijgezet.
Kapuzinerkerk, Wenen.
Boven en onder: graftombes van Franz Joseph, diens vrouw en hun zoon Rudolf.
Deze graftombe staat symbool voor Roth voor alles wat verloren is gegaan met de Habsburgse monarchie.
Beeld van de begrafenis van Otto von Habsburg, in 2011.
Er is een aardige anekdote te vertellen over het begrafenisritueel in deze crypte, al valt dat wat buiten het boek van Roth.
Toch maar, voor de volledigheid:

Volgens de Habsburgse traditie, werden lichaam, hart en ingewanden afzonderlijk van elkaar begraven. Voor de laatste keer gebeurde dit overigens in 1878, bij de begrafenis van aartshertog Frans Karel. Traditie is ook dat bij een keizerlijke begrafenis de rouwstoet stil staat voor de dichte deur van de grafkelder. De ceremoniemeester klopt op de deur en hoort de vraag: "Wie verlangt binnen te treden?", waarop hij antwoordt: "Zijne Apostolische Majesteit de Keizer." Er volgt geen reactie, waarna opnieuw op de deur moet worden geklopt. "Wie verlangt binnen te treden?" "Zijne Majesteit de Koning." Wanneer er weer geen reactie volgt, wordt nogmaals geklopt. Dezelfde vraag wordt dit keer beantwoord met "Een arme zondaar", waarop de deur wordt geopend.

In de Duitse Wikipedia wordt bijzonder aandacht geschonken aan de wijze waarop moeder Trotta wordt uitgebeeld. Die kunstvolle Darstellung dieser großartigen Frau gehört zu Joseph Roths belletristischen Meisterleistungen.
Ik kan dat beamen: een haar zoon respecterende, strenge, hoogstaande vrouw. 
Ook de knecht Jacques en diens dood zijn mooi beschreven. (Kwam er in de Radetzkymars ook niet een bediende voor die Jacques heette?)
De schrijver, Joseph Roth.
Ik geef hier nog enkele mooie citaten uit het boek: 
„Österreich ist kein Staat, keine Heimat, keine Nation. Es ist eine Religion.“ (Graaf Chojnicki.)
Das Wesen Österreichs ist nicht Zentrum, sondern Peripherie.“
„Das Kennzeichen des Aristokraten ist vor allem anderen der Gleichmut.“

Het einde doet pijn, ik citeer weer uit de Wikipedia: 
Das „Dritte Reich lässt grüßen: Trotta sitzt mit seinen aristokratischen Freunden im Café. Ein gestiefelter und gespornter junger Mann erscheint auf der Schwelle und redet die Gäste mit 'Volksgenossen!' an; spricht von der „neuen deutschen Volksregierung“.Jüdische Geschäftsleute verlassen Wien. Trotta weiß nicht, wohin er nun soll. Er will „in die Kapuzinergruft, wo seine Kaiser liegen“, doch die Gruft ist und bleibt verschlossen. Die Habsburg-Legitimisten müssen ihre Hoffnungen begraben. Die Romanhandlung endet am Morgen des 12. März 1938: Hakenkreuzfahnen wurden gehisst, die Nazis übernehmen das Land.,,

Trouw schreef: 
'Hij schreef als een gewonde, of beter gezegd: in het bezit van een wond - want hij koesterde haar als zijn talent', merkt zijn biograaf Helmuth Nürnberger op. Inderdaad heeft Roth zijn rusteloosheid levenslang gekoesterd en gecultiveerd, maar gewond was hij natuurlijk ook door het uiteenvallen van zijn geliefde vaderland, de Oostenrijks-Hongaarse dubbelmonarchie. Na 1918 kwam het nooit meer goed met hem.Meteen op de eerste bladzijde wordt de teneur van de roman onder woorden gebracht: ,,Ik ben geen kind van deze tijd, het kost me zelfs moeite mij er niet ronduit een vijand van te noemen'.
Biografie van Joseph Roth, door Helmuth Nürnberger (1981).
En nog een van latere datum, van Wilhelm von Sternburg (ik meen 2009).

Geen opmerkingen:

Een reactie posten